Stompwijk - Dorp Stompwijk

Het Land dat Blijft

Het landschap lijkt hier eenvoudig. Vlak, open, in lijnen verdeeld door sloten en
weilanden die zich uitstrekken zonder onderbreking. Alsof het zo gegroeid is, langzaam
en vanzelf, zonder dat iemand zich er echt mee heeft bemoeid.

Maar dat is niet wat hier gebeurd is.

Wat hier ligt, is geen landschap dat vanzelf ontstond. Het is een plek die telkens
opnieuw is gemaakt. Door mensen die het land naar hun hand probeerden te zetten, en
door het land dat zich daar niet altijd bij neerlegde.

Lang voordat hier sprake was van een dorp, lag hier een woest en nat veengebied.
Moerasachtig, maar relatief hoog gelegen, waardoor het zich onderscheidde van de
omgeving zonder dat het echt bewoonbaar was. Verplaatsen ging hier niet over wegen,
maar over water, via grotere veenriviertjes en natuurlijke stroompjes. Het is goed
mogelijk dat de latere Stompwijkse Vaart daar ooit uit is voortgekomen.

Zelfs de Romeinen, die in deze streek de Corbulogracht groeven, hebben dit gebied
nooit echt naar hun hand gezet. Ze kwamen hier wel, jaagden er, verzamelden hout en
gebruikten wat het landschap bood. Maar ze bleven er niet. Het was een plek om
doorheen te trekken, niet om te blijven.

Pas in de twaalfde en dertiende eeuw begon dat te veranderen. Niet groots en niet
ineens, maar stap voor stap, systematisch. Mensen begonnen het gebied te ontginnen,
het veen open te snijden en bomen te kappen. Wat daarbij achterbleef, waren eerst
vooral resten: stronken, stobben, afgezaagde wortels die uit de grond bleven steken. En
het is niet ondenkbaar dat daar de naam vandaan komt. Stompwijk, mogelijk ooit
Stobbewijk, een plek die ontstond uit wat overbleef na het werk.

Die ontginning stond niet op zichzelf. In de omgeving groeiden steden als Den Haag,
Delft en Leiden, en die groei vroeg om brandstof. Turf en hout werden hier gewonnen, en
het landschap werd onderdeel van een grotere beweging. Maar die groei kende ook
stilstand. Toen de bevolking afnam, onder andere door epidemieën zoals de pest, viel
de vraag naar brandstof terug. En dus veranderde ook dit gebied. Waar eerst werd
afgegraven, schakelden mensen over op een meer zelfvoorzienend bestaan. Landbouw
en veeteelt namen het over.

Aan het eind van de zestiende eeuw, tijdens het Leids Ontzet, stond Stompwijk lange tijd
onder water. Het gebied liep onder en liet zien hoe kwetsbaar dit land bleef.

Toch kwam het dorp weer terug. Rond 1620 begon Stompwijk opnieuw te groeien. In een
tijd van religieuze spanningen bleef het dorp opvallend katholiek. Tegelijkertijd
veranderde het landschap opnieuw ingrijpend. Nederland werd rijker, en met dat geld
werd het nabijgelegen Zoetermeerse Meer drooggemalen. De vraag naar brandstof nam
opnieuw sterk toe en veengrond werd op grote schaal afgegraven.

Wat ontstond was een landschap van smalle stroken land, omringd door water, met
dijkjes die alles bij elkaar hielden. Op die stroken werd gewoond en gewerkt.

In de achttiende eeuw werd veel van dat onder water gelopen land weer
teruggewonnen. De polders die toen ontstonden vormen nog steeds de basis van het
landschap dat hier ligt. Eerst werd het land gebruikt voor akkerbouw, maar de grond
raakte snel uitgeput. Daarna volgde de omschakeling naar veeteelt. Stompwijk werd een
zuiveldorp, met boter en kaas als belangrijkste producten.

Het geloof bleef lang zichtbaar aanwezig en het kerkgebouw groeide mee met het dorp.
Maar in de twintigste eeuw veranderde dat. Ontkerkelijking zette in, kleine boeren
verdwenen en de tuinbouw nam toe. Er ontstonden grotere tuinbouwgebieden en het
aantal woningen groeide.

In deze eeuw verschuift het opnieuw. De tuinbouw neemt af, handel groeit en
woningbouw blijft beperkt.

En toch, onder al die veranderingen, blijft iets bestaan.

Een gevoel van saamhorigheid, zichtbaar in tradities, verenigingen en mensen die het
dorp dragen.

En dat maakt dat wat hier ligt nooit echt stil heeft gestaan, maar altijd in beweging is
gebleven.